
Ik denk niet vaak aan Gerard Cox en daar zal ie vast niet rouwig om zijn. Maar aan het einde van elke zomervakantie borrelt hij als vanzelf uit mijn onderbewustzijn op, als een lijk –vergeef me de uitdrukking- die door het moeras wordt prijsgegeven. Dan zingt Gerard in mijn hoofd de onsterfelijke zin ”’t is weer voorbij die mooie zomer”. Dat is niet alleen de verdienste van het lied en de zanger (hoewel ik beiden beslist niet wil onderschatten) maar bovenal die van het jaarlijks terugkerende moment waarmee het zich heeft vervlochten: de dagen worden weer korter, bladeren kleuren al, aan de einder loert het vooruitzicht van een lange, donkere winter.
En Gerard Cox hoort bij dat moment. Naar we mogen aannemen tot in lengte van generaties. Zoals we vandaag, aan het begin van de lente, vanzelfsprekend aan Herman Gorter denken, vanwege de fameuze eerste zin van het gedicht genoemd naar de maand waarin Cox zijn zomer zowat laat beginnen: Mei.
Overigens dat niet de maand die mij het meest aan Gorter doet denken. Dat is namelijk maart, soms februari, afhankelijk van het weer. Bij de eerste zonnestralen, de eerste knoppen die openspringen, de eerste kwetterende vogels in de avondschemer mijmer ik vanzelf: een nieuwe lente en een nieuw geluid. Die woorden zijn precies 120jaar geleden op schrijft gesteld en sindsdien onsterfelijk gebleken.
Ach ja, Gerard Cox en Herman Gorter. Van de poëziepolitie mag je ze vermoedelijk niet in een adem noemen. Toch vormen ze in mijn hoofd een onafscheidelijk duo, als poortwachters van de zon. Laat maar komen, die lente.