
Toen ik op de luchthaven van Washington een heuse rookruimte aantrof, heb ik er, tot mijn eigen stomme verbazing, minuten lang naar staan staren, als ware het een overblijfsel van een verloren gewaande, primitieve beschaving. Roken. Op een vliegveld. Ja, das war einmal. Op Schiphol mag je alleen roken als je op de Polderbaan neerstort, maar in Amerika kan het blijkbaar nog.
Wond ik me tien jaar geleden op over ‘het doorgeslagen puritanisme van de antirook-inquisitie in de VS’, nu betrapte ik mezelf op de neerbuigende gedachte: Jeetje, wat lopen ze hier áchter! Noem het een mentaliteitsvernadering, noem het opportunisme: zo snel gaat het dus.
Intussen staat hier in Nederland de volgende tabaksrevolutie voor de deur. Het rookverbod in de horeca is de facto afgeschaft sinds de rechter in Breda afgelopen vrijdag oordeelde dat kleine café’s erdoor benadeeld worden. Weliswaar moet het hof er nog overheen, maar ongeacht de uitspraak is er nu al zoveel verwarring ontstaan dat een verbod niet meer te handhaven is. Ik zal ze missen, die eenzame momenten aan de bar waarop mijn vrienden zich collectief terugtrekken (al of niet met medeneming van de barman) om in een of andere vieze gebruikersruimte collectief een peukje op te steken.
In één Utrechtse uitgaansgelegenheid lijkt dat rookhok op een Californische gaskamer: meerhoekig, voorzien van grote ramen, gevuld met dodelijke dampen. Veel beter laat de aard van de verslaving niet illustreren, dunkt me. En geen Ab Klink die daar verandering in brengt.
Ach, misschien willen ze, als alles weer bij het oude is, voor mij wat zuurstof in die gaskamer blazen.